H. Benedictus Luister, mijn zoon, naar de richtlijnen van uw meester, en neig het oor van uw hart: aanvaard gewillig de vermaningen van uw liefdevolle vader en breng ze metterdaad ten uitvoer, om zo door de inspanning van uw gehoorzaamheid weer tot Hem terug te keren van wie u zich door de slapheid van de ongehoorzaamheid hebt verwijderd. Tot u richten zich nu mijn woorden, wie u ook moogt zijn, die afstand doet van uw eigen wil om in dienst te treden van de ware Koning: Christus de Heer, en die daartoe de sterke en roemrijke wapenen van de gehoorzaamheid opneemt. Allereerst: welk goed werk u ook onderneemt, vraag Hem in een volhardend gebed, dat Hij het tot een goed einde brengt, opdat Hij, die ons nu reeds tot zijn zonen heeft willen rekenen in de toekomst nooit over ons slecht gedrag bedroefd behoeft te zijn. Te allen tijde moeten wij Hem dan ook met zijn eigen gaven, die Hij ons geschonken heeft, gehoorzamen; anders zou Hij ons, zijn zonen, wel eens als een vertoornde vader kunnen onterven, of wat nog erger is: als een geducht meester, die door ons wangedrag gergerd is, zou Hij ons kunnen overleveren aan de eeuwige straf als slechte dienaren, die Hem niet hebben willen volgen naar de heerlijkheid. Laten wij dan eindelijk eens opstaan, gewekt door het woord van de Schrift: "Het is tijd voor ons om op te staan uit de slaap". Onze ogen geopend voor het goddelijk licht, moeten wij met een aandachtig oor luisteren naar wat Gods stem ons dagelijks vermanend toeroept: "Als gij vandaag zijn stem hoort, maakt dan uw hart niet ongevoelig", en verder: "Wie oren heeft om te horen, hij hore wat de Geest zegt tot de kerken". En wat zegt Hij? "Komt mijn zonen, luistert naar Mij: Ik zal u onderrichten in de vreze des Heren. Haast u voort, zolang gij het licht van het leven bezit, opdat de duisternis van de dood u niet overvalle". En terwijl de Heer temidden van al die mensen wie Hij dit toeroept zijn arbeider zoekt, spreekt Hij nogmaals: "Wie is de mens, die naar het leven verlangt en goede dagen wenst te zien?" Wanneer u dit hoort en antwoordt: Ik, dan zegt God tot u: "Als gij het ware en eeuwige leven wilt hebben, weerhoud dan uw tong van het kwade en laat uw lippen geen bedrieglijke taal spreken. Keer u af van het kwaad en doe het goede, zoek de vrede en jaag hem na. Wanneer gij dit doet, rusten mijn ogen op u en luisteren mijn oren naar uw gebeden, en nog vr gij Mij aanroept zal Ik zeggen tot u: Hier ben ik". Wat is er aanlokkelijker voor ons, geliefde broeders, dan deze stem van de Heer, die ons uitnodigt? Zie in zijn goedheid toont de Heer ons de weg ten leven. Laten wij dan onze lendenen omgorden met het geloof en met de trouw in het volbrengen van het goede, en gaan wij dan, geleid door het Evangelie, voort op zijn wegen, om Hem te mogen aanschouwen, die ons naar zijn Rijk geroepen heeft. Als wij in zijn tent, dat wil zeggen in dat Rijk, willen wonen, zullen wij daar slechts kunnen komen door ons erheen te spoeden door het goede te doen. Maar ondervragen wij de Heer zelf met de woorden van de profeet: "Heer, wie mag wonen in uw tent? en wie mag rusten op uw heilige berg?" Laat ons na deze vraag luisteren, broeders, naar de Heer, die ons het antwoord geeft en ons de weg wijst naar zijn tent. Hij zegt: "Hij wiens levenswandel onbevlekt is en die de gerechtigheid beoefent; die de waarheid spreekt in zijn hart; die met zijn tong geen bedrog pleegt; die zijn naaste geen kwaad doet, die niet duldt dat zijn naaste belasterd wordt"; die de arglistige duivel, als deze hem iets influistert, samen met zijn influisteringen wegstoot van vr de ogen van zijn hart en hem volkomen machteloos maakt door het gebroed van zijn ingevingen aan te grijpen en tegen Christus te pletter te slaan. Die de Heer vrezen en daarom niet groot gaan op hun goede levenswandel, maar die overtuigd zijn, dat zij tot het goede, dat in hen is, niet uit eigen kracht in staat zijn, maar dat het door de Heer bewerkt wordt; die daarom de Heer verheerlijken, die in hen werkt, door met de profeet te zeggen: "Niet aan ons, Heer, niet aan ons, maar aan uw Naam geef de eer". Zo schreef ook de Apostel Paulus niets van zijn prediking aan zichzelf toe, want hij zegt: "Door Gods genade ben ik wat ik ben", en verder zegt hij: "Als iemand roemt, moet hij roemen op de Heer". Vandaar dat ook de Heer in het Evangelie zegt: "Wie deze woorden van Mij hoort en ernaar handelt, hem vergelijk Ik met een verstandig man, die zijn huis op een rots heeft gebouwd: bergstromen kwamen omlaag, stormen staken op en zij stortten zich op dat huis, maar het viel niet in, want het was gegrondvest op een rots". Aldus besluit de Heer zijn onderricht en verwacht nu van ons, dat wij nu ook metterdaad elke dag aan zijn heilige vermaningen zouden beantwoorden. Daarom worden de dagen van dit leven met het oog op een verbetering van ons slecht gedrag bij wijze van uitstel verlengd, zoals de Apostel zegt: "Weet gij niet, dat Gods geduld u tot boetvaardigheid wil brengen?" Want in zijn goedheid zegt de Heer: "Ik wil niet de dood van de zondaar, maar dat hij zich bekere en leve". Wij hebben de Heer nu ondervraagd, broeders, over de bewoner van zijn tent en hebben vernomen op welke voorwaarden men er kan wonen. Als wij nu ook maar die plichten van de bewoner nakomen. Benedictusmedaille Laten wij ons hart en lichaam dan uitrusten voor de strijd, dat wil zeggen voor de heilige gehoorzaamheid aan Gods geboden. En als er iets niet mogelijk blijkt te zijn voor onze natuur, vragen wij dan aan de Heer, dat Hij ons met de hulp van zijn genade wil bijstaan. Wanneer wij de straffen van de hel dan ook willen ontvluchten en willen geraken tot het eeuwige leven, dan moeten wij thans, nu er nog tijd is en wij nog in dit lichaam verkeren, en nu het nog mogelijk is om dit alles bij het licht van dit leven te volbrengen, ons voortspoeden en datgene doen wat ons voor eeuwig ten goede zal komen. Wij willen daarom een oefenschool gaan stichten voor de dienst van de Heer. In haar opzet hopen wij niets te bepalen dat te moeilijk, niets dat te zwaar is. Maar mocht er toch iets in voorkomen, dat wel wat streng lijkt, maar op redelijke gronden voor de verbetering van fouten en het behoud van de liefde vereist wordt, laat u dan niet aanstonds afschrikken en ontvlucht niet de weg van het heil, die aanvankelijk altijd nauw is. Naarmate men echter voortgang maakt in het monniksleven en in het geloof, verruimt zich het hart en snelt men met een onuitsprekelijk blije liefde voort langs de weg van Gods geboden. Laten wij dan ook nooit afwijken van hetgeen Hij ons geleerd heeft, maar in zijn leer tot aan de dood in het klooster volharden om door ons geduld deel te nemen aan het lijden van Christus, en zo te verdienen om ook deelgenoten te worden van zijn Rijk.
Amen.

(Klik hier om de volledige Regel voor Monniken online te consulteren)